Zien en horen (visuele en auditieve informatie)
Kinderen met een meervoudige beperking hebben vaak problemen met de informatie die via het zien en horen, waar te nemen is. Zij nemen daardoor minder informatie uit hun omgeving op.
Ook kan een goede waarneming van de prikkels problemen geven. Een kind kan bijvoorbeeld overgevoelig (angstig) zijn voor harde of onverwachte geluiden. Een kind kan afgeleid worden door de beelden uit de omgeving.
De groep kinderen met een meervoudige en visuele beperking vertonen vaak één of meerdere gedragingen als:
- weinig tot geen initiatief om te bewegen;
- wisselvalligheid in visueel functioneren: kan van uur tot uur of van dag tot dag verschillen; lawaaierige omgeving zorgt voor afleiding; te veel activiteiten tegelijk en/ of te complex voor het kind; vermoeidheid, ziek zijn of epileptische activiteiten verslechtert de visuele waarneming;
- onvermogen in het opbrengen of volhouden van visuele aandacht;
- moeite met het herkennen van bekende personen en voorwerpen;
- herkenning van de gezichten is wisselvallig;
- spontane visuele activiteiten zijn vrij kort en komen sporadisch voor;
- bewegende voorwerpen beter zien dan stilstaande voorwerpen;
- dieptewaarneming levert problemen op, waardoor het gericht reiken bemoeilijkt wordt;
- ‘onverklaarbare’ gedragingen. Bijvoorbeeld: een kind dat slechtziend is maakt geluiden. Hij doet dit echter om zich te oriënteren waar hij zich in een ruimte bevindt.
Bij kinderen met een meervoudige en auditieve (gehoor) waarnemingsproblemen is onder andere het volgende waar te nemen:
- de auditieve waarneming verloopt moeizaam. Het kind is afhankelijk van initiatieven die een ander neemt om hem hier in te helpen;
- geluiden werken soms storend op elkaar in;
- alleen geluid lokt aanvankelijk niet uit tot bewegen. Auditieve prikkels moeten in het begin altijd worden gekoppeld aan de tast ervaring die het kind opdoet door bijvoorbeeld een geluidproducerend speelgoed vast te houden.